Binnen het Klimaatakkoord vormt utiliteitsbouw een belangrijk onderdeel van de verduurzaming van de gebouwde omgeving. Naast woningen moeten ook circa 1,2 miljoen utiliteitsgebouwen vóór 2050 transformeren naar een energiezuinige en vrijwel CO₂-neutrale gebouwvoorraad. Gemeenten spelen hierin een belangrijke rol. Zij zijn niet alleen verantwoordelijk voor de verduurzaming van hun eigen maatschappelijk vastgoed, maar ook voor het stimuleren en faciliteren van de verduurzaming van de bredere gebouwde omgeving.
Hoewel de aandacht binnen de energietransitie vaak uitgaat naar woningen, is het essentieel om ook utiliteitsgebouwen mee te nemen in de gemeentelijke verduurzamingsopgave. Denk hierbij aan kantoren, scholen, zorginstellingen, sportaccommodaties, winkels en bedrijfsgebouwen. Deze gebouwen zijn verantwoordelijk voor een aanzienlijk deel van het energieverbruik en de CO₂-uitstoot binnen de gebouwde omgeving en bieden daardoor grote kansen voor energiebesparing en emissiereductie.
De kaartlagen Utiliteitsbouw bieden gemeenten inzicht in de utiliteitsvoorraad binnen hun gemeente. De kaarten maken zichtbaar waar utiliteitsgebouwen zich bevinden, welke functies zij hebben, wat de belangrijkste gebouwkenmerken zijn en waar zich de grootste aardgasverbruikers bevinden op wijk- en buurtniveau. Met deze informatie kunnen gemeenten gebieden identificeren waar de verduurzamingsopgave het grootst is, prioriteiten stellen en beleidsmaatregelen gericht inzetten.
Utiliteitsgebouw kan het best gedefinieerd worden als alles wat geen woning betreft, zoals scholen, kantoren, ziekenhuizen, zorginstellingen, winkels, sportaccommodaties, hotels, transportbedrijven, garages, benzinepompen, etc. Er is een grote verscheidenheid aan typen gebouwen in de ‘utiliteitsbouw’. Ondanks de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) en verschillende andere databronnen, is er geen eenduidig beeld van die verscheidenheid aan utiliteitsbouw in Nederland. Inzicht in de aanwezigheid en typering van utiliteitsgebouwen is nodig om beleid te maken voor de verduurzaming van de gebouwde omgeving in Nederland. TNO heeft informatie toegevoegd aan de BAG om zo utiliteitsbouw beter in beeld te krijgen en deze zo goed mogelijk te categoriseren (verrijkte BAG 2.0).
De utiliteitsbouw kan geconcentreerd zitten op bedrijventerreinen of verspreid aanwezig zijn in specifieke woongebieden. Bij de aanpak moet hiermee zo goed mogelijk rekening gehouden worden. Er kan een win-win situatie ontstaan doordat utiliteitsgebouwen vaak een geheel ander energieprofiel hebben dan woongebouwen. Ook zijn utiliteitsgebouwen vaak grootverbuikers qua energieverbruik. Dit kan de businesscase in positieve zin beinvloedenbeïnvloeden.
TNO heeft met de verrijkte BAG2.0 1,2 miljoen panden gerekend tot de utiliteitsbouw in Nederland, waarvan zo’n 211.000 zonder verblijfsobject. In de utiliteitsbouw kaartlagen in DEGO is gebruik gemaakt van de BAG, en de verrijkte BAG2.0 en dashboard utiliteitsbouw van TNO..
Er gelden verschillende verplichtingen voor utiliteitsgebouwen, afhankelijk van type gebouw en eigenaar.
In DEGO zijn enkele kaartlagen ontwikkeld over utiliteitsbouw:
Vanuit de BAG wordt voor bijna elk verblijfsobject in een pand de gebruiksfunctie gedefinieerd. Vanuit de BAG zijn dit 11 functies (voor gebouwen) uit het Bouwbesluit 2012. Door informatie toe te voegen aan de BAG heeft TNO de BAG kunnen verrijken om utiliteitsbouw beter in beeld te krijgen. Als basis hiervoor heeft TNO de BAG 2024 gebruikt en deze aangevuld met onder andere sectorale data (bijv. DUO voor informatie over scholen) en niet-publieke data zoals LISA en KVK-data.
Een gebouw kan aan één, verschillende, of géén verblijfsobjecten verbonden zijn, en een verblijfsobject kan één of meerdere functies hebben. Panden zijn gekoppeld aan verblijfsobjecten, en alle functies in deze verblijfsobjecten zijn toegekend aan het pand. Overgebleven zijn panden met minstens één functie anders dan wonen, en panden zonder verblijfsobject. Van de panden zonder verblijfsobject is op basis van aanvullende geografische informatie een selectie gemaakt. Panden binnen een voor utiliteitsbouw relevante contour (bijvoorbeeld een bedrijventerrein) zijn meegenomen in de selectie. Schuurtjes bij woningen zijn zodoende geen onderdeel van de selectie, maar loodsen op een bedrijventerrein en kassen in een kassengebied zijn dat wel.
De verrijkte BAG telt in totaal 109 categorieën, verdeeld over 5 hoofdcategorieën en 22 deel categorieën. De uitgebreide lijst met categorieën en toelichting over de werkwijze is te vinden in de uitgebreide beschrijving van de werkwijze door TNO.
In de kaartlaag worden de panden in 6 hoofdcategorieën ingedeeld, aangevuld met alleen woningen en onbekend:
Volgens TNO zijn “combinatiegebouwen utiliteitsbouw met wonen” panden waarin zowel een utiliteitsfunctie als een woonfunctie voorkomt. Deze categorie omvat vooral gebouwen met een winkelfunctie, bijeenkomstfunctie of gezondheidszorgfunctie in combinatie met woningen. TNO onderscheidt eengezinswoningen, meergezinswoningen met 2–10 woningen en complexen met 10 of meer woningen om verschillende mengvormen beter te kunnen classificeren. Tot deze categorie behoren onder andere bedrijfswoningen (waaronder veel boerderijen) en zorgwoningen, die veelal deel uitmaken van grotere woonzorgcomplexen. Er zijn geen panden zonder verblijfsobject in deze categorie.
In de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) is een “industriefunctie” een van de officieel gedefinieerde gebruiksfuncties van een verblijfsobject. Een industriefunctie is een gebruiksfunctie voor het bedrijfsmatig bewerken, verwerken, vervaardigen, opslaan of distribueren van materialen, goederen of producten.
Hieronder vallen onder meer:
De BAG maakt geen onderscheid tussen verschillende soorten industrie of bedrijfsactiviteiten. Een distributiecentrum, fabriek en agrarisch bedrijfsgebouw kunnen dus allemaal dezelfde gebruiksfunctie industriefunctie hebben. Daarom vult TNO de BAG aan met andere databronnen (zoals LISA en topografische gegevens) om panden verder te onderscheiden naar bijvoorbeeld maakindustrie, logistiek of agrarisch gebruik.
Volgens TNO omvat “maatschappelijk vastgoed” gebouwen waaraan expliciet een maatschappelijke functie kan worden toegekend. Het gaat om uiteenlopende typen gebouwen met veelal een publieke functie. Doordat deze gebouwen doorgaans goed herkenbaar en geregistreerd zijn, kunnen ze beter worden geïdentificeerd en onderscheiden dan veel andere vastgoedcategorieën
Volgens TNO omvat “commercieel vastgoed” alle panden met een winkel-, kantoor-, logies- of bijeenkomstfunctie waaraan geen expliciete maatschappelijke functie kan worden toegekend. Hieronder vallen ook gemengde gebouwen met deels maatschappelijke functies en panden waarvoor onvoldoende informatie beschikbaar is om een nadere indeling te maken. Daarnaast onderscheidt TNO met behulp van topografische gegevens specifieke categorieën, zoals tuincentra, attractieparken, dierentuinen en andere recreatiegebouwen.
Volgens TNO omvat de categorie “infrastructuur en overige opslag” de resterende panden die niet onder de andere vastgoedcategorieën vallen. Infrastructuurgebouwen worden op basis van de Basisregistratie Topografie (BRT) onderscheiden naar verkeers- en nutsfuncties. De overige gebruiksfuncties betreffen vooral kleine opslagruimten, zoals garages en boxen (veelal kleiner dan 25 m²), terwijl grotere gebouwen bijvoorbeeld parkeergarages kunnen zijn.
Dit zijn de panden die alleen een woonfunctie hebben. In de TNO dataset zijn deze panden niet meegenomen, maar zijn wel toegevoegd aan de kaartlaag in DEGO.
Naast de hoofdcategorieën is een categorie ‘onbekend’ toegevoegd. Deze categorie bevat panden die niet voorkomen in de TNO-datasets. Dit kan verschillende oorzaken hebben. Zo kunnen het nieuwe panden zijn die wel in DEGO zijn opgenomen, maar nog niet in de TNO-dataset voorkomen. TNO maakt namelijk gebruik van een oudere versie van de BAG (2024), dan DEGO (2025). Daarnaast kan het gaan om panden waarvan de gebruiksfunctie inmiddels is gewijzigd. Een pand kan bijvoorbeeld in de TNO-dataset nog als utiliteitsbouw zijn geregistreerd, terwijl in de nieuwe BAG dit is gewijzigd. Als het gewijzigd is naar een woonfunctie krijgt die categorie “woonfunctie”. Indien ander functie wordt dit pand als “onbekend” beschouwd.
In de kaartlaag kan er op een pand worden geklikt. De volgende informatie is per pand beschikbaar::
Bron: TNO, verrijkte BAG
Bron: BAG
Update: onbekend
Niveau: pand
De EPBD IV (Energieprestatie van Gebouwen Richtlijn) is de Europese richtlijn die de gebouwde omgeving verplicht om te verduurzamen. Zo komen er ook nieuwe eisen voor nieuwbouw en voor bestaande utiliteitsbouw.
Energieklasse geeft een indicatie van de energiezuinigheid van een gebouw en welke energiebesparende maatregelen nog mogelijk zijn. Deze kaartlaag geeft inzicht in de energielabel van Utiliteitsbouw in Nederland, maar is niet voor elk pand beschikbaar. Indien een pand meerdere verblijfsobjecten heeft, dan wordt het laagste label getoond.
Uitsluiting van combinatiegebouwen
Let op: voor deze kaartlagen zijn combinatiegebouwen met zowel een utiliteits- als woonfunctie buiten beschouwing gelaten.
De aanwezigheid van woningen binnen deze gebouwen kon het beeld van het totale pand vertekenen. Zo kon het lijken alsof een combinatiegebouw een hoog energielabel had, terwijl dit label uitsluitend betrekking had op het woondeel (verblijfsobject) binnen het pand. Daarnaast was voor het utiliteitsdeel van dergelijke gebouwen regelmatig geen energielabel beschikbaar, waardoor in de kaartlaag alleen het label van de woning werd weergegeven. Om deze vertekening te voorkomen en de resultaten eenduidiger te maken, is ervoor gekozen om combinatiegebouwen buiten beschouwing te laten.
Als er op een pand wordt geklikt dan wordt de volgende data getoond in de pop up:
Bron: TNO, verrijkte BAG
Bron: BAG
Bron: EP-online, RVO
Update: jaarlijks
Niveau: pand
Bepaalde bedrijfstypen kunnen worden aangemerkt als typische aardgasverbruikers, vanwege hun relatief hoge of kenmerkende aardgasgebruik. TNO heeft inzicht gegeven in deze categorieën van aardgasverbruikers.
Hiervoor heeft TNO het aantal verblijfsobjecten (VBO’s) geteld voor onder andere de volgende typen bedrijven en voorzieningen: bakkers, supermarkten, viswinkels, cafetaria’s, restaurants, hotels, stomerijen, wasserijen, autohandel en -reparatie, sauna’s, zwembaden, ziekenhuizen, crematoria, koelhuizen en datacenters.
Om het aandeel typische aardgasverbruikers per wijk of buurt te bepalen, zijn de VBO’s van alle genoemde categorieën bij elkaar opgeteld. Dit aantal is vervolgens gedeeld door het totale aantal utiliteits-VBO’s binnen de betreffende buurt. Het resultaat geeft het aandeel van de utiliteitsgebouwen dat tot de typische aardgasverbruikers behoort. Deze gegevens zijn beschikbaar op buurtniveau.
Bron: TNO, verrijkte BAG
Bron: BAG
Bron: EP-online, RVO
Update: jaarlijks
Niveau: wijk- en buurtniveau